Een onverwacht juweeltje

Mijn moeder woont twee hoog in een verzorgingshuis. Ze heeft daardoor geen enkel besef meer van temperatuurswisselingen: in het huis is het altijd behaaglijk warm. Als je met haar naar buiten gaat ervaar je door haar reacties hoe bevrijdend de wind in je haren en de geur van jong groen is. “Heerlijk die frisse lucht” verzucht ze elke wandeling minstens 2 keer dankbaar.

Vandaag schijnt het zonnetje maar er staat een gemene oostenwind. “Ik heb een dikke jas” zegt mijn moeder stellig en nee, die deken is niet nodig. Stel je voor, die rolstoel is er puur voor het gemak, ze is geen invalide ! Haar dunne witte krulletjes dansen als veertjes rond haar hoofd, ontsnapt uit de tot over haar kin dichtgeritste kraag van haar jas. “ Is het niet te koud”’ vraag ik nogmaals terwijl ik haar tegen de wind in voortduw, maar het antwoord is bekend ‘’nee, lekker fris”. Gelukkig ligt het park in de zon en waait de wind daar uit een andere hoek.

We gaan eerst biggetjes tellen op de kinderboerderij. 12 broertjes en zusjes met een palet van maagdelijk roze tot zwartgrijs gevlekte huid. Dikke kontjes, dribbelende pootjes, vrolijk geknor, omlijst door een geur van verse gier. Puur natuur, dat ervaar je niet vanachter glas. ‘’Ze stinken wel hè?”zegt mijn moeder tegen een kleuter naast haar, maar het kind deinst verschrikt terug voor deze vreemde mevrouw in de stoel die nog kan praten ook.

Iets verderop ligt het echte doel van deze tocht. Op mijn fietstocht naar het verzorgingshuis heb ik een vlag met T-huis zien staan. Het is een markant, koepelachtig gebouwtje midden in het park. We hebben gehoord dat dit gerund wordt door jongeren met een verstandelijke beperking. Tegenwoordig lijkt dit in parken meer regel dan uitzondering. Niet alleen mijn moeder, maar zelfs ik stam nog uit de tijd dat mensen met een beperking nog gehandicapten werden genoemd, en niet onder ons leefden maar werden weggestopt in bosachtige omgevingen. We zijn er niet mee opgegroeid zal ik maar zeggen.

Ik betrap me erop dat ik telkens positief verrast wordt door programma’s als ‘Syndroom’ van Johnny de Mol. Ik vind dat je ‘normaal en respectvol’ met ieder mens, ongeacht zijn mogelijkheden, aard of achtergrond moet omgaan. Maar ik bespeur bij mezelf toch altijd een zekere spanning bij de poging om ‘gewoon te doen’. Voor mensen zoals ik zijn uitspanningen met verstandelijk beperkten een fantastisch concept. Contact valt niet te vermijden. Elke keer weer een nieuwe kans om goede voornemens in de praktijk te brengen.

Even twijfel ik om het gebouwtje binnen te gaan: er hangt een bord met gedragsregels voor een treinstation naast de deur. Zijn we wel goed ? Binnen zie ik echter moderne lichte houten stoeltjes en barkrukken om tafels. Een vitrine vol gebak lonkt aan de andere kant van de wat hoekige ruimte. Door de glazen wanden lijkt het een overdekte tuin met een prachtig, geometrisch versierde, bolle deksel.

De klantvriendelijkheid blijkt in het T-huis van uitzonderlijk hoog en spontaan niveau. Als ik stuntel om met de rolstoel een plekje aan het raam te bereiken, duwt een ijverige jongeman meteen het in de weg staande meubilair aan de kant.

‘’Heerlijk” verzucht mijn moeder met een gelukzalige glimlach als we ons gesetteld hebben en de zon haar bleke wangen koestert. Ik kijk naar een lange jongen met een bril en een bloknoot die heen en weer drentelt in het midden van het gebouwtje. Hij vangt mijn blik en snelt direct naar ons tafeltje. Waarom ben ik nu verrast als hij ons keurig en rustig te woord staat ? Waarschijnlijk omdat je dat in eetcafés die gerund worden door studenten eigenlijk maar zelden zo meemaakt.

Ik bestel 2 punten aardbeientaart. Nee, mijn moeder hoeft geen slagroom. Hij slaagt ook voor de verste muntthee test “jazeker” antwoordt hij stellig als ik vraag of ik dat kan bestellen. “Bestaat dit theehuis al lang” informeer ik belangstellend. En dan blaast hij me compleet van mijn stoel:’’ Wij zijn hier nu 3 jaar. Dit is de voormalige zij-ingang aan de Sonsbeekzijde van het station van Arnhem. Bij de renovatie van het station hebben ze bedacht dat ze het gebouw wilden bewaren en toen is het in stukken gezaagd en hiernaartoe verhuisd. Het is nog in oorspronkelijke staat, we hebben er alleen een keuken aangebouwd”. Ik roem het interieur en de bijzondere koepelvorm. Dat moedigt hem zichtbaar aan om zijn betoog voort te zetten. “Het is ook nog een cultureel erfgoed: de pilaren zijn gemaakt uit puin van de tweede wereldoorlog. Dat heeft de architect zo bedacht”. Als ik in alle toonaarden zijn verhaal bejubel vat hij mijn enthousiasme kort en krachtig samen “ja zo vind je zomaar een onverwacht juweeltje”.

We genieten dubbel en dwars van onze koffie en thee. Hij serveert zonder te vragen de juiste consumpties bij de juiste persoon. We wandelen terug onder een stralend blauwe hemel naar mijn moeders kamer, waar ze zich tevreden met een “poehoe” in haar relaxstoel laat zakken. Ja een middag als deze is er inderdaad één om als een kleinood te koesteren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.